Posts tonen met het label over gisteren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label over gisteren. Alle posts tonen

25 januari 2016

Schrijven over gisteren: Zij

Hond slaapt om mat

Dit is nummertje twee van een nieuwe reeks blogposts. Een reeks waarin ik mezelf een beetje meer blootgeef. Ik schrijf autobiografisch en keer terug naar de prille lente van mijn leven. Ik wil de kleine momenten uit mijn kindertijd vastleggen. Om zo naar de wereld te kijken door de ogen van het kind dat ik was. 
Deze keer werd ik geïnspireerd door een schrijfoefening van boekschrijven.nl.  Schrijf over een keer dat je verdwaald was. Weggelopen. Een moment waarop je als kind echt helemaal opging in je eigen wereld.
Het werd een moment waarop de wereld even te groot was voor mij. Een moment waarop ik ging schuilen bij één van mijn beste vriendinnen ooit. 

Zij

"Wij moeten naar de wei. Naar het spel", zei mama. "Als er iets is, ga dan naar je tante. Die staat bij de ijsjes en de taart. Ok?"
Ik knikte. Mama vind mij al groot, dacht ik trots. Groot genoeg. Ik zocht de beste plek om naar het spel te kijken. Ergens in het gras. Achter een nadarhek. Papa wees van hier naar daar. Mama had papieren in haar handen. Ze stuurden een spel dat ik niet begreep. Een dans van jonge mannen met een meisje in hun nek. Eieren die keihard door de lucht zoefden. Eentje vlak langs mijn oor. Het spatte uit elkaar tegen een boomstam. Ik schrok. Greep het hek met twee handen stevig vast. Buurtbewoners moedigden hun favoriete ploeg luid aan. Het oerwoud van benen rondom mij werd dichter. Ik voelde knieën in mijn nek. Koud bier over mijn blote schouder. Was er dan niemand die mij kon zien? Echt zien.
Ik wriemelde tussen de benen door. Maar één plek in mijn hoofd. Met grote stappen liep ik langs de kraampjes van de rommelmarkt. Voorbij het café en de feesttent. Hoorde ik mijn naam nog?
Ik moest op mijn tenen gaan staan. Het hekje van onze achtertuin piepte. Zoals altijd. Toch kwam ze niet. Schuilde ze ook voor de warmte en het lawaai? Ik vond haar in het hok. Een lieve hoop haar en kwijl. Op handen en voeten kroop ik door het gat. Ik ging naast haar liggen. Mijn hoofd zocht het zachte plekje in haar nek. Mijn hand wreef over haar oor. Opnieuw en opnieuw. Tranen. Van opluchting. Om de drukte die wegviel. Zij en ik alleen.
Ik vertelde haar verhaaltjes. Daar werd ze rustig van. Ik ook. Verhaaltjes over mollen vangen in de beek. Over wandelingen in het veld. Nergens iemand te zien. Alleen een fazant om achteraan te zitten.  
Ik moet geslapen hebben. Heel even maar. Denk ik.
"Katrien! Katrien!" Een paniekerige stem in de tuin. Mama. Slaperig kroop ik achterste voren uit het hok. Min of meer klaar om opnieuw de wereld in te stappen.

Meer lezen over gisteren? Dat kan hier.

Follow my blog with Bloglovin

12 januari 2016

Schrijven over gisteren: Als de duiven vallen

verhaal kindertijd duiven vallen
 
In een nieuwe reeks blogposts geef ik mezelf een beetje meer bloot. Ik ga autobiografisch schrijven en keer terug naar de prille lente van mijn leven. Ik wil de kleine momenten uit mijn kindertijd vastleggen. Om zo naar de wereld te kijken door de ogen van het kind dat ik was.

Als de duiven vallen

Zes was ik. Zo ongeveer. Mijn zusje vier. De tuin van onze grootouders was onze kleine wereld. Een perfecte kleine wereld. Met een volmaakt grasgroen gazon. Peter maaide het. Elektrisch. Meter werkte de kantjes bij. Met een schaar. Het gazon was alleen toegelaten voor kindervoeten als het droog was. Want sporen achterlaten, dat mocht niet.
Onze kleine wereld was symmetrisch ingedeeld. Met betonnen paadjes. Paadjes waarop we alleen mooi in het midden mochten lopen. Paadjes die leidden naar een moestuin waar elk groentebed met zorg werd gespreid.
Achteraan, aan de straatkant, stonden twee sparren. Al jaren. Zoveel jaren dat ze dik genoeg waren om achter te verdwijnen. Soms verdwenen we in verzonnen verhalen over de bijna onzichtbare mensen in de huizen. Andere keren verdwenen we in het universum van de mieren en de pieren in het gras.
Als het plekje achter de bomen begon te vervelen, praatten we tegen het hondje achter de haag. Of we zongen liedjes onder de wasdraad. Gewoon omdat het er zo lekker rook. Naar meter. Als ik nu zelf was buiten hang, ruik ik vaak dat ze even naast mij staat. Even maar.
Ons lied was uit als het tijd was voor de duiven. Die moesten vallen. Toen ik vijf was, dacht ik dat de duiven die de avond voordien in hun mand op reis waren vertrokken, gewoon uit de lucht zouden komen vallen. Met een doffe plof. Moe van de reis.
Toen ik zes was wist ik beter. Die domme duiven kwamen niet zomaar plots naar beneden vallen. Nee, ze cirkelden eerst een eeuwigheid boven de tuin. Om dan heel voorzichtig op het dak van de garage of het duivenkot te landen. Klaar om bij de minste beweging weer op te vliegen.
Wanneer peter geconcentreerd naar de lucht begon te kijken, probeerden we ons zo onzichtbaar mogelijk te maken. Misschien dat hij dan niet ...
"Anneleen! Katrien! Naar binnen!"
Het lukte nooit. Met tegenzin liepen we over het rechte pad. Naar binnen. Achter het glas van de veranda keken we naar een nerveuze man in een blauwe kiel. In zijn handen een kroes met zaad.
"Kom! Kom! Kom!" schudde hij. Opnieuw en opnieuw. Zijn hoofd in zijn nek. De 'constateur' klaar op de vensterbank. Alleen als we teveel lawaai maakten, keek hij naar beneden. Dan kregen we een vuile blik.
"Kom! Kom! Kom!" klonk het dan nog luider. Minutenlang. Zenuwachtig ijsbeerde hij op en neer. Tot de eerste duiven op het dak landden. Dan stond hij doodstil. Wij hielden onze adem bijna in. Bang om te bewegen. Tot de eerste duif - eindelijk - binnen was. Snel-snel klokte hij de ring. En de wereld draaide weer verder.
Ik haat duiven. Nu nog.

Follow my blog with Bloglovin





Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...