19 mei 2016

Zo schrijf je beter: workshop familieverhalen

Hoe wek je je voorouders tot leven

Elke familie heeft zijn verhalen. In nummer 2, jaargang 20 van het magazine 'Schrijven' vertelt Olga Majeau hoe zij een boek bij elkaar schreef over haar Hongaarse overgrootvader. Mooi, hoe de vondst van een aantal brieven kan leiden tot een boek.
In mijn eigen familie zie ik niet meteen een boek. Maar misschien wel enkele mooie, kleine verhalen. Als je een kort verhaal wil vertellen over één familielid, schrijft Majeau, is het belangrijk om te focussen op de kleine details. Details die veel zeggen over de persoon en die je stuk verlevendigen.
Als er één persoon is over wie ik wil schrijven, is het mijn grootmoeder, mijn 'Meterlin'. Een klein mevrouwtje die weinig boekenwijsheid had, maar des te meer levenservaring. Ze overleed toen ik zwanger was van mijn kleinste meisje. Die is ondertussen zeven. Af en toe overvalt het mij hoeveel ik haar mis. Zoals dit weekend.
Mama haalde het kluisje met juwelen van meter uit. Toen ik haar fijne gouden horloge door mijn vingers liet gaan, zag ik onmiddellijk haar bezige handen. Meterke toch, denk ik dan. Want haar troostende, zorgende, wroetende handen, hadden de jaren voor haar dood amper nog kracht.
Er is één verhaal dat ze verschillende keren vertelde. Een verhaal dat ik nooit zal vergeten.Ik schrijf het hier neer op mijn manier.

postkaart
Albertpark Halle - Foto: delcampe.be

Als bladeren fluisteren
Al twee jaar oorlog. Céline maakt zich klaar voor een nieuwe schooldag. Want oorlog of geen oorlog, er is altijd school. Het is zeven uur en nu al warm. Het zijn die laatste weken voor de grote vakantie. Zou het na de vakantie nog oorlog zijn. Of is het dan eindelijk gedaan? 
Céline heeft niet veel tijd om er over na te denken. Ze worstelt met het hete strijkijzer. Het hemdje van haar uniform moet kreukloos zijn. Anders haalt de directrice van de huishoudschool haar regel boven. En dat wil je niet.
"Céline! Ida is hier", roept haar moeder. "Zijt ge nog niet gereed?"
"Nee. Nog niet. Zeg haar dat ze al gaat", roept ze terug. "Dan zijn we tenminste niet alletwee te laat", mompelt ze erachteraan. Want ook dat wil je niet.
Wanneer ze geen enkele vouw meer vindt, trekt Céline het hemdje aan. Ze zoekt haar kookboek voor de les van vandaag. Want zonder boek naar school, nee, ook dat wil je niet.
Bij het naar buiten gaan, bekijkt Céline zich nog even in de spiegel. Ze trekt haar rok recht, veegt een spatje van haar schoen en legt haar bronde krullen goed. Netjes moet ze zijn. Perfect.
Met kleine korte passen gaat ze op weg. Snel. Bij de spoorweg heeft ze Ida nog altijd niet ingehaald. Ziet ze haar nu lopen op het brugje boven de Zenne? 
Plots loeit het alarm boven de stad. Ze hoort de vliegtuigen al. Iemand sleurt haar mee in een portaal. Ze houdt haar boekentas stevig vast en drukt zich tegen de muur. Alsof ze in het huis wil kruipen. Tegelijkertijd maakt ze zich zorgen over het hemdje. Het mag niet vuil worden. 
Er volgt een enorme knal. De grond trilt. Het geluid van de vliegtuigen sterft weg. Alles wordt stil. Er is alleen nog stof. Naar school, denkt Céline, ik moet naar school. Ik ben al te laat. Dat wordt straf. 
Verdoofd loopt ze naar het park. Er staan twee vrouwen te jammeren onder een boom. Ze volgt hun blik. Tussen de bladeren herkent ze de schoenen van Ida. Die met het hakje, waar ze altijd zo jaloers op is.
"Niet, Ida", denkt ze. Ze moet een hele tijd op de grond gezeten hebben. Onder de boom. Maar ze herinnert zich weinig. Alleen leegte en fluisterende bladeren.
Ze wordt weer een beetje zichzelf als de directrice haar stevig vastpakt. "Meisje toch", zegt ze zacht. Céline kijkt haar aan met waterige ogen. "Ik heb mijn hemdje nog gestreken", fluistert ze.


Follow my blog with Bloglovin 


Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...